DE LOKGEIT

 

Lokgeit

nu ik uit mijn lichaam tevoorschijn ben gekropen
achterwaarts het rioolgat uit
klonters licht en muziekresten in mijn keel
de natte diepten van ademleven ontzopen

zal ik met een spiegel zoeken 
gaan, naar wat niet in directe zin of met gesperde neus 
zomaar van de randen der tijd 
is los te weken, los te koeken

mijn larvenblik geworpen door jouw blauwgroen oogglas
onbeholpen dodendichtersgereutel door jouw tralieporselein
horen naar wat nu klinkt in trilling
door steenhard schedelsteen en oogkas

vervormde echo’s zal ik vangen
van de speelkeel met mijn handen daar omheen
en mogelijk grotere gedrochten door tocht vervlochten
door hen die mij nu vervangen

*

ja, ga maar meisje
week je vingers in het sap
zalf jezelf
en laat je geuren
straks gaat het gebeuren
ik gun je wat gestrekte tijd
en oxygène

ik ruik, ik ruik
de roestige lucht
van een momentopname
in onderzeevertraging
uit jou; mijn polaroidcameraobscure, 
tevoorschijn schieten

hoor dat!
dat muzikaal kerkorgelgekokkerel
wat een intiem gerecht
wat een heiligenlucht
hoor dat
vertrouwd gezwoeg
kennen wij elkaar?

*

zeg het maar verwaaid luchtmens 
ik wil je lilith wel zijn
zijn letters nog steeds je lokgeiten
voor groter wild?
luister je nog steeds naar het orkest
dat stopt als het hart niet meer klopt
of kruip je nu net tevoorschijn,
ben je als organisch gas opnieuw
tot leven gekomen
en zeg me
ben je doelgericht gevallen
of zomaar aan komen waaien

of wacht, ik weet het al
je denkt in mij de lege cocon te vinden
zodat je me kunt vullen met de strontvlieg
die je ooit bezong
om dan terloops,
heel ijdel
je eigen resten te onderzoeken…
ik zou zeggen
loop een eindje door en neem die neger daar
die grote norse
daal in hem af
en vraag of hij je slaaf wilt zijn

*

ongedronken en aangekondigd besloop ik je vol goede liefde
wat heb je met die heupen opgevangen
dat je mijn fijn gesponnen toenadering 
zo gretig in tweeën kliefde

ik wil wat van je
ongegeseld geef ik dat ook toe
ik voel het gesuis van stokken en
stenen nog langst mijn slapen gaan
bloedvlekken op mijn pak
mens wat is dat met jou
ondankbaar oerbeeld
wees blij dat ik bij je ben
kijk om je heen

het was de ongenaakbaar enorme ruimte die me benauwde
de geurloosheid, geen diepte, geen dauw op mijn schoenen
er was geen baar-zin voor moeders
geen drempels, geen angst, geen verval, geen verpareld angstzweet op de bovenlip
dat zich na een tijdje heel eensgezind samenvoegt tot één druppel en dan afglijdt naar de lip daaronder en als dat wel zo was, dan was er niets dat in die druppel, licht sidderend, weerspiegeld werd

weet je nog, lilith?

o-o-oh
zo god van slanke lavendel te zien
en de beek koert naar de keel
en de keel is van de anemonen
is van de zee de monen zingende bovengekomen

*

kom naar daar, lilith
met jou erbij is elke wereld aanvaardbaar
loopt de dode lucht eruit
ro zijn, rest vorm
laten we werkelijk zijn

o-o-oh
zo goed je blanke slangvel te zien
en mijn blik scheert over de bodem
en de bodem is van de slangen
is de lucht een gangenstelsel waar slangengezang tegen de wanden weerklinkt

lilith?